vrijdag 29 augustus 2008

Herinneringen aan Canada, deel 3

Het uitzicht bestond uit vele tinten grijs; de zee, de lucht en de bergen die als getekende houtskoolfiguurtjes laag voor laag achter elkaar te zien waren. Mensen liepen in lichte schommelende boogjes over de boot. Buiten stonden een paar stoere mannen in de wind. Ze probeerden toch nog foto's te maken, zochten naar walvissen of dolfijnen, gingen stug door met hun grote telelenzen. Af en toe spetterde er een plas water omhoog. Als er iemand naar binnen kwam zoog de wind aan de deur tot 'ie met veel kracht opensloeg. Papieren waaiden van tafel en de frisse harde wind deed de slaperige mensen binnen opschrikken uit hun spelletjes, haakwerk, gesprekken, biertjes, koffies. Een buitenman stapte binnen met een koud verwaaid gezicht, regenjas en cappuchon, hij droogde zijn brillenglazen alsof hij in de Nederlandse herfst van de fiets af een kroeg binnenstapte. De binnenmensen gluurden naar elkaar en bekeken elke nieuwkomer, uit verveling. Een moeder zat met een slaperig dochtertje de reis lijdzaam uit. Ik keek uit het raam naar de op en neer glijdende horizon. Langzaam werd het buiten wat lichter. De bergen op de eerste rij gaven de puntige groene details van hun dennenbomen langzaam prijs.

zondag 24 augustus 2008

Typisch (sommige) mannen

"Schat, wat heb ik tien september ook alweer?"

woensdag 20 augustus 2008

Herinneringen aan Canada, deel 2

Whitby, Ontario. De broer van mijn overleden oma en zijn vrouw heetten mij hartelijk welkom in hun "retirement residence", een moderne flat waar zij woonden met vele andere actieve ouderen. Uncle Sam, zoals oudoom Simon zichzelf na zijn immigratie in de jaren 50 had omgedoopt, was een keurige, vriendelijke, lieve man. Hij maakte volop praatjes bij de lift, hij hield altijd de deur open voor zijn vrouw en mij, hij hielp de mannen van het videoclubje met het ophangen van een nieuw scherm, hij hield de volkstuintjes van de resicence bij en hij sprak een prachtig gebed uit voor en na elke maaltijd, een ritueel waar ik na verloop van tijd gehecht aan raakte. In zijn gezicht leek hij op mijn oma en het bleek dat hij ook in zijn onverwachte ondeugendheid op haar leek.

We waren bij de Niagara Falls geweest. Tienduizenden liters water denderden van twee enorme rotsen af en tienduizenden toeristen werden nat van de miniscule waterdruppeltjes die de wind onze kant op bracht. Na de watervallen stroomde de Niagara River door alsof er niks gebeurd was en het was in een bocht van deze rivier dat wij met onze camera stopten bij een bordje "scenic view". Op een hekje dat de parkeerplaats van de diepe helling naar de rivier scheidde, stond een meisje. Haar vriend hield het meisje vast zodat zij vanaf dat hoge punt een mooie foto kon maken. Het meisje droeg een zomers jurkje en met een jongensachtige blik sprak keurige oude Sam de legendarische woorden: "als de wind daaronder waait dan heb je inderdaad een scenic view."

maandag 18 augustus 2008

Voorstel

Ik heb een voorstel. Het is gericht aan alle fietsers in Nederland. Het klinkt misschien een beetje vreemd in de oren, en als je het uitprobeert voelt het wellicht ietwat onwennig. Maar ik kan je verzekeren dat het echt heel handig is, als iedereen eraan meewerkt.

Ik stel voor, dat we allemaal onze hand uitsteken als we een bepaalde richting op willen met de fiets. Dat gaat heel gemakkelijk: gewoon je hele arm haaks van je lichaam af laten wijzen als je een bepaalde afslag neemt of een bocht maakt. Wil je links; doe je je linkerarm, wil je rechts; je rechterarm. Gewoon lekker die hele arm, hoppa naar de zijkant. Maakt je geen zorgen, het hoeft heus niet zwaar te zijn; een beetje losjes mag best, lekker nonchalant met hangende vingers. Of, als je dat leuker vindt, je wijsvinger helemaal uitgestrekt in een perfecte horizontale lijn. Maakt niet uit hoe je het doet, als je maar iets uitsteekt. Het mooie is namelijk: je kunt zo andere weggebruikers aangeven waar je heen gaat, zodat zij niet onnodig op je hoeven te wachten. Het is een slim systeempje hoor, en verdomde handig.

Ik zou zeggen: baat het niet dan schaadt het niet. Dus fietsers van Nederland: doe eens gek en steek die hand uit!

dinsdag 12 augustus 2008

Herinneringen aan Canada, deel 1

Het regende. Het regende hard. De ruitenwissers vlogen piepend heen en weer over de voorruit en alles wat mooi en groen en fris was, leek nu grijs. We besloten naar de stad te gaan. Kamperen met een klein tentje, terwijl je alles behalve slapen buiten doet (koken, eten, lezen, omkleden en vaak zelfs plassen), is niks met zulk weer. Nee, dan de stad; daar heb je bioscopen, winkelcentra en meer vermaak voor donkere dagen.

We reden de stad binnen en werden overweldigd door de drukte. Het hostel wat we geboekt hadden zat vol met dreadlock-achtige backpackers op blote voeten die ontbeten met noodle-soepjes van 3 cent. We moesten alle kampeertroep van de achterbank verdelen over onze kamer en de kofferbak van de auto, om de kans op inbraak zo klein mogelijk te maken. Zo kwam het dat we om vier uur 's middags langs een drukke straat in Victoria geparkeerd stonden terwijl we fleece vesten opvouwden, een hakbijl tussen de schoenen probeerden te proppen en een pak pannenkoekmix in een rugzak stopten.

Ik leegde een jerrycan met water in de goot. Een man begon tegen mij te praten: "you're throwing all that water away?" Inmiddels gewend aan de vriendelijkheid van Candezen en het gemak waarmee we een praatje maakten op campings en langs de weg, begon ik aan een antwoord; ja, we hebben gekampeerd, bla bla bla. Maar de man liet me niet uitpraten en mompelde iets vaags: "there could be fish in there..." Vervolgens bleef hij onzin uitkramen, met een enigszins dubbele tong, terwijl hij onze spulletjes en handelingen uitvoerig observeerde. Ik bekeek de man eens goed en wisselde een blik met D. Ja, we waren weer in de stad.